Jefke en de Bollebozen – Bromdingen in aantocht
Er hing iets anders in de lucht.
Niet dat de winter al weg was, maar het rook minder scherp. Alsof de lente voorzichtig aan de deur klopte.
Jefke stond op het erf met zijn neus in de wind. Hij snoof en keek richting de weg.
De bollebozen scharrelden achter hem aan, dicht bij elkaar, alsof ze ook voelden dat er iets ging veranderen.
"Het wordt weer tijd," mompelde Jefke.
Want als de dagen langer werden en de zon soms even doorbrak, gebeurde er altijd hetzelfde:
dan kwamen ze terug… de motorrijders.
Jefke noemde het geen motoren.
Voor hem waren het gewoon bromdingen: grote, grommende machines waar mensen zó vrolijk van werden dat ze er vanzelf harder van gingen lachen.
Vorig jaar had hij ze ook gezien. Hoe ze het erf opreden, helmen afzetten, handen wreven van de kou en meteen naar het huis keken alsof ze een schat hadden gevonden.
En daarna: koffie, verhalen, routes op telefoons, en dat typische geluid van laarzen op de stoep.
Jefke kwispelde al bij de gedachte.
Niet omdat hij zo hield van het lawaai — al vond hij het stiekem best indrukwekkend — maar omdat die gasten altijd iets meebrachten: energie, enthousiasme, en een goeie sfeer op het erf.
De bollebozen kakelden nieuwsgierig.
"Bromdingen?"
Jefke knikte. "Gasten. Met helmen. En ze vinden ons huis prachtig."
Hij liep een rondje langs het pad, alsof hij alvast wilde oefenen hoe hij ze zou verwelkomen.
Even kijken, even snuffelen, en dan netjes erbij blijven — zoals het hoort.
En terwijl ergens in de verte een vogel al iets te vrolijk zong voor deze tijd van het jaar, dacht Jefke tevreden:
Laat ze maar komen.

